Spoorinfrastructuur

Infrabel is als infrastructuurbeheerder verantwoordelijk voor de spoorinfrastructuur. Deze infrastructuur bestaat uit alle vaste installaties die nodig zijn voor het besturen van spoorwegvoertuigen en voor de veiligheid van dit verkeer.

  1. Sporen
  2. Spoortoestellen
  3. Seininrichting
  4. Bovenleiding
  5. Onderstations
  6. Kunstwerken
  7. Overwegen

1. Sporen

De sporen en de spoorbedding vormen de ondergrond waarop de treinen rijden. Spoorstaven zijn van staal en geleiden de wielen van de trein. In België bedraagt de normale spoorbreedte 1435 mm, gemeten tussen de binnenvakken van de spoorstaafkoppen. Ze rusten op een ondergrond van steenslag, ook wel ballast genaamd. Zo wordt de belasting van de rijdende trein opgevangen en verdeeld over de ondergrond zodat het spoor steeds stabiel blijft. De dwarsliggers zorgen ervoor dat de spoorbreedte onveranderd blijft en brengt de belasting over op de steenslag. Vroeger waren de dwarsliggers van hout en bestonden de spoorlijnen uit korte spoorstaven die aan elkaar gelast waren. De tijd staat echter niet stil: vandaag leggen we de sporen aan met betonnen dwarsliggers en maken we gebruik van langgelaste spoorstaven zonder voegen. Resultaat: duurzamer, minder lawaai en trilling en meer comfort.

2. Spoortoestellen

België heeft een van de drukst bereden spoorwegnetten ter wereld. Reiswegen moeten op heel wat plaatsen elkaar kunnen kruisen en samenkomen. De wissels en de kruisingen zorgen ervoor dat alle mogelijke verbindingen tot stand worden gebracht. Een wissel bestaat uit bewegende wisseltongen die voor de verandering van de reisweg zorgen. De wissels worden centraal bediend vanuit de seinhuizen.

Alle spoortoestellen en wissels worden ontworpen, vervaardigd en gemonteerd in de werkplaats van Bascoup. Hierbij is precisiewerk van het hoogste niveau vereist: een tiende van een millimeter maakt een wereld van verschil. De werplaats van Bascoup levert niet alleen spoortoestellen voor het Belgische spoorwegnet, maar ook voor enkele stadsvervoermaatschappijen en buitenlandse klanten. De video brengt het productieproces van de spoortoestellen in beeld: van bestelling tot plaatsing.

3. Seininrichting

Seininrichting is nodig om de veiligheid op het spoorwegnet te garanderen. Dankzij deze installaties ontvangen de treinbestuurders de nodige aanwijzingen om de trein veilig te besturen. Ze zorgen ervoor dat treinen niet botsen en dat de toegelaten snelheid gerespecteerd wordt.

Seinposten

In de seinposten bedienen de seingevers van op afstand de seinen en de wissels. Zo wordt het treinverkeer steeds in goede banen geleid en kunnen de treinen hun reisweg vlot afleggen.

Terwijl de seinen vroeger nog manueel moesten worden bediend, beschikken de meeste seinhuizen vandaag over moderne technologie waarbij de seinen computergestuurd worden bediend. Deze EBP/PLP (Elektronische Bedieningspost/ Poste à Logique Programmée) technologie stelt voor elk traject en elke trein een reisweg voor. De seingever kan deze aanvaarden of aanpassen, naargelang de omstandigheden. Deze technologie biedt heel wat tijdswinst en zorgt ook voor een veiliger treinverkeer en een efficiëntere verkeersaansturing

In 2005 telde het spoorwegnet nog heel wat lokale seinhuizen. Infrabel concentreert deze seinhuizen in moderne verkeersleidingscentra, voorzien van de meest geavanceerde technologie. Deze concentratie moet zowel de veiligheid als de stiptheid ten goede komen. Streefdoel: nog slechts 10 hypermoderne controlecentra tegen 2022.

Lichtseinen

De lichtseinen vormen het communicatiekanaal tussen de seingever en de treinbestuurder. De lichten geven de treinbestuurders de nodige instructies om de reisweg veilig af te leggen. Ze bestaan uit een rood, een groen, twee gele en één wit licht. Daarnaast kunnen ze ook voorzien zijn van een lichtcijfer en van andere aanduidingen.

seinbord

Seinborden

De seinborden zijn vaste aanduidingen langs het spoor die snelheidsbeperkingen opleggen.

Stuurpostsignalisatie

Met stuurpostsignalisatie krijgt de treinbestuurder alle aanwijzingen op een beeldscherm aan boord van de trein. De snelheid van de trein wordt door deze systemen continu gecontroleerd en bij een te hoge snelheid wordt de trein automatisch afgeremd. Deze systemen vervangen de langse seininrichting. In België wordt zo het ETCS-systeem stapsgewijs veralgemeend. Eenvoudigere versies van deze systemen zijn ook geïnstalleerd op het Belgische net en dienen als hulp bij het besturen van de treinen: de krokodil, de TBL1 en TBL1+ bakens. Deze systemen verhogen de veiligheid van het spoorverkeer.

4. Bovenleiding

De bovenleiding, of rijdraad, voorziet de treinen van elektriciteit. De stroomafnemer van de trein staat in contact met de rijdraad en neemt zo de nodige stroom af. De bovenleiding wordt in België gevoed via de onderstations met een spanning van 3000 Volt gelijkstroom.  Voor de hogesnelheidstreinen wordt een spanning van 25 000 Volt wisselstroom. De bovenleiding bestaat uit 2 rijdraden en worden strak opgespannen met gewichten aan het begin en het einde van een bovenleidingssectie. Om te vermijden dat de stroomafnemers steeds op dezelfde plaats verslijten door het contact met de rijdraad, worden de draden zigzag opgehangen.

5. Onderstations

In de onderstations wordt de elektrische energie,  toegeleverd door de leveranciers, omgezet in de gewenste spanning en verdeeld over het spoorwegnet. De energie wordt er geleverd onder een hoge wisselspanning (11.000 Volt tot 70.000 Volt) en wordt omgevormd tot 3000 Volt gelijkstroom.

6. Kunstwerken

Een kunstwerk is een bouwwerk dat ervoor zorgt dat een spoorlijn bepaalde kenmerken van een terrein kan overbruggen en verkeerswegen kan kruisen zonder daardoor gehinderd te worden. Het zijn bruggen, tunnels, viaducten, maar ook steunmuren, duikers, onderdoorgangen, … Op het Belgische spoorwegnet zijn er ongeveer 4 800 bruggen, 2 500 steunmuren en 132 tunnels.

7. Overwegen

Een overweg is een gelijkvloerse kruising van een spoorlijn met een weg. Om de veiligheid van het kruisende verkeer te garanderen zijn overwegen voorzien van verschillende veiligheidsvoorzieningen, afhankelijk van het type overweg: Andreaskruis, lichten, slagbomen, belsignaal.

Als er geen spoorwegverkeer is, zijn de rode lichten gedoofd en branden de witte lichten. De slagbomen staan dan omhoog. Zodra een trein de overweg nadert, gaan de rode lichten branden en weerklinkt een belsignaal. De slagbomen gaan naar beneden. Eens de slagbomen dicht zijn, stopt het belsignaal.

Infrabel streeft ernaar om overwegen zo veel mogelijk af te schaffen en te vervangen. Ze vormen immers steeds een risico voor onvoorzichtige of onoplettende weggebruikers.

Meer informatie over overwegen